- taak
- {{taak}}{{/term}}1 [functie, opdracht] tâche 〈v.〉2 [onderwijs]±cahier 〈m.〉de vacances♦voorbeelden:1 het is mijn taak dit te doen • il m'appartient de le faireeen taak op zich nemen • se charger d'une tâcheeen taak volbrengen • remplir une tâcheiemand met een taak belasten • charger qn. d'une tâchetot taak hebben • avoir pour tâchezich iets tot taak stellen • s'imposer qc.zich van zijn taak kwijten • s'acquitter de sa tâcheniet voor zijn taak berekend zijn • ne pas être à la hauteur de sa tâche2 een taak voor wiskunde • un devoir de vacances de mathématiques
Deens-Russisch woordenboek. 2015.